De roemruchte waskaarsenfabriek. Het was een flink complex met veel verschillende gebouwen, gebouwd in verschillende periodes. In 1858 werd de bouw van "een nieuw gebouw" aanbesteed; het is onduidelijk welk pand dat precies was.
Nathan Dias Brandon (Amsterdam 1803 - 1874) handelde in kaarsen en verkocht ze in zijn winkels in de Kalverstraat en aan het Rokin. Rond 1840 nam hij een oude kaarsenfabriek aan de Boerenwetering over. Die stond daar al sinds de zeventiende eeuw; de productie van kaarsen zorgde voor stank en was brandgevaarlijk, zodat het stadsbestuur dergelijke bedrijvigheid weerde uit woonwijken.
Kaarsen werden traditioneel gemaakt door ze herhaaldelijk in vloeiende was onder te dompelen, tot ze dik genoeg waren. Brandon schakelde over op kaarsen van stearine, een Franse uitvinding. Sterinekaarsen konden in één keer gegoten worden, waardoor sneller en op grotere schaal geproduceerd kon worden. De fabriek werd daartoe herhaaldelijk uitgebreid. In 1857 werd de Koninklijke Fabriek van Waskaarsen een NV met Brandon als een van de vier directeuren.
Er werkten toen zo'n 200 mensen. De werkomstandigheden waren ronduit slecht. De arbeiders maakten lange dagen in een walmende fabriek. Velen van hen waren kinderen die na het afronden van de lagere school meteen arbeider werden. De fabriek had hoge schoorstenen maar in de benedenwinds gelegen Pijp regende het klachten over stank en vettige walmen, toen daar eenmaal woningen werden gebouwd.
De fabriek paste niet in de plannen van het stadsbestuur om van de omgeving van het Rijksmuseum (gereed 1885) een voorname woonbuurt te maken. Rond 1900 werd er nog gesproken over verplaatsing van de fabriek, maar gemeente en eigenaren kwamen er niet uit. Uiteindelijk kon de gemeente in 1906 het terrein kopen, voor ƒ 900.000,-, en werd het bedrijf gesloten. De stad was verlost van een bron van overlast, maar de 300 werknemers stonden op straat.
Na de sloop van de fabrieksgebouwen en de demping van de omringende sloten verrezen op het terrein aan de kant van de Hobbemakade onder meer het Ignatiuscollege (1911) en een telefooncentrale (1911). Ten westen daarvan kwamen blokken met woonhuizen.
Waskaarsenfabriek. Hobbemakade