Het Amstelstation, een knooppunt van trein-, tram-, bus- en tegenwoordig ook metrolijnen.
Namens Publieke Werken werden de stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren en de architect Jan Leupen ingezet. Van Eesteren was nauw betrokken bij de inrichting van het stationsgebied. Hoogstwaarschijnlijk heeft Leupen de stationshal ontworpen en NS-architect H.G.J. Schelling (1888-1978) de perronoverkapping. De hand van Leupen is terug te zien in onder meer de ronde stalen ramen, het zadeldak van de stationshal met zeer flauwe helling, en de detaillering met natuursteen.
De muurschilderingen in de grote hal zijn van Peter Alma, het beeldhouwwerk is van Theo van Reijn.
Het station verving het uit 1843 daterende Weesperpoortstation bij het Weesperplein. Dat kopstation lag gelijkvloers, waardoor het eveneens gelijkvloerse spoor veel hinder gaf voor het overige verkeer. Bij de verhoging van het spoor in de jaren 1930 werd daarom besloten tot de bouw van een nieuw station, gelegen op een handiger plek.
Tegelijk werd ook de spoorlijn van Centraal Station naar het oosten verhoogd, waartoe een nieuw Muiderpoortstation werd gebouwd. Die "Spoorwegwerken Oost" werden op 14 oktober 1939 afgerond met de gelijktijdige ingebruikname van de nieuwe stations, precies 50 jaar na de opening van het Centraal Station. De officiële opening was een dag eerder, door minister Albarda van V&W. Die verwees in zijn toespraak naar de gespannen situatie in Europa: enkele weken eerder was Duitsland Polen binnengevallen.
Typerend en vernieuwend waren de gescheiden reizigersstromen. De hoofdingang aan de noordkant was voor voetgangers, die er per auto afgezet konden worden. Fietsers gingen via hellingbanen aan de zijkanten van de stationshal de fietsenkelder in. Tramreizigers kwamen het station in via de oostelijke ingang, die een niveau lager lag dan de hoofdingang. De ingang aan de zuidkant lag bij het busstation en kreeg een lange, uitstekende overkapping.
Van 1960 tot 1972 was het Amstelstation in de zomermaanden een vertrekpunt van autoslaaptreinen. Auto's konden via een ingang aan de noordkant de hal inrijden en van daar via een hellingbaan voor voetgangers naar het westelijke perron rijden. In 1960 reden de treinen naar Avignon (Frankrijk), vanaf 1962 ook naar Domodossola (Italië). Door de komst van de metrolijnen was er vanaf 1972 geen plek meer om de autorijtuigen op te stellen.
Ook buiten de komst van de metro is er in de loop der jaren veel veranderd aan het station. Er kwam een extra ingang (1979) aan de 'achterkant', de westzijde. Van de vijf perrongebouwen resteert er nog één. De bagagetunnels, stammend uit de tijd dat bagage en reizigers gescheiden werden, zijn nu in gebruik als schietbaan. De loketten voor de kaartverkoop zijn geheel verdwenen.
In 2019 was een herinrichting van de stationsomgeving gereed. De trams stoppen sindsdien aan de noordkant, waar eerder de taxistandplaats was en talloze fietsenrekken stonden. Fietsers kunnen nu via de oostkant bij de stalling komen. De laatste van de twee hellingbanen naar de fietsenstalling werd verwijderd.
Bij het station hoorden drie dienstwoningen. Eén ervan bevond zich in het stationsgebouw, op de eerste verdieping, en werd tot 2011 gebruikt. De twee andere woningen stonden aan de zuidkant van het Julianaplein. Ze waren bedoeld voor de stationschef en voor de chef van de restauratie. Die woningen zijn in 2014 of 2015 afgebroken.
Amstelstation. Julianaplein 1
Er zijn 66 afbeeldingen in de beeldbank van het Stadsarchief die gerelateerd zijn aan dit adres.