Revolutiebouw is de aanduiding voor snel en goedkoop gebouwde huizen in de oudste negentiende-eeuwse uitbreidingswijken: Dapperbuurt, Oosterparkbuurt, de Pijp, Kinkerbuurt, Staatsliedenbuurt. 'Revolutie' verwijst daarbij niet naar een politieke omwenteling maar naar de nieuwe werkwijze van de bouwers. Voorheen werkten aannemers in opdracht, maar in de nieuwe wijken gingen ze op eigen houtje aan de slag in de verwachting het huis later te kunnen verkopen of verhuren. Deze "eigenbouwers" speculeerden dus op de vraag naar woningen, soms met eigen middelen, maar veelal met geld dat ze van hypotheekverstrekkers leenden. Ook hypotheken waren een relatief nieuw verschijnsel. De naam speculatiebouw wordt ook wel gebruikt. Een mildere term is aannemersarchitectuur.
De kwaliteit van de huizen liet wel eens te wensen over. Uit de periode 1875-1900 zijn diverse voorbeelden bekend van huizen die al tijdens de bouw of vlak daarna instortten. De huizen werden ook bekritiseerd vanwege de saaiheid van de straten: rijen eenvormige huizen in lange, smalle straten zonder bomen. Denk bijvoorbeeld aan de Govert Flinckstraat.
Sommige aannemers probeerden de panden wat aantrekkelijker te maken met eenvoudige decoraties. Dat werd ze makkelijk gemaakt omdat ze allerlei ornamenten kant-en-klaar konden kopen bij groothandels.
De overheid zat overigens niet geheel stil: het toezicht werd beter en de regels strenger, cumulerend in de Woningwet van 1901. Maar toen waren de buurten van het uitbreidingsplan-Kalff, dat het patroon van de sloten volgde, al vrijwel geheel bebouwd.
Diverse blokken met revolutiebouw zijn in de jaren 1970-1990 gesneuveld voor de stadsvernieuwing. Met de herwaardering van de oude wijken vanaf de jaren 1980, kwam er ook enige waardering voor de architectuur van individuele panden.
Architect Willem Kromhout schreef in 1893:
Sedert een vijftiental jaren werd in Amsterdam de geheele nieuwe stadswijk gebouwd achter de Stadhouderskade, dito de wijken buiten de Raampoort, Haarlemmerpoort en Linnaeusstraat. Te 's Hage zijn het de zeehelden-, schilders-, Indische archipel- en andere wijken, die als uit den grond verrezen. Te Rotterdam hetzelfde. Nog steeds gaat dit voort. Ook de kleinere steden kunnen op groote uitbreidingen wijzen.
Een opmerkelijk verschijnsel doet zich bij al de gebouwen voor, welke deze wijken vormen, ik bedoel de volkomen stelselloosheid of liever de tot stelsel verheven onverschilligheid, waarmede praktici van ongekenden rang geroepen werden, deze bouwerij te leiden. In de volkstaal noemt men hen revolutiebouwers en hunne producten kortweg revolutiebouw, aldus den geheelen ommekeer in de nieuwe wijze van werken constateerende, afwijkend van het zoolang op prijs gestelde, echt Hollandsch „soliede werken”.