Als uitwerking van het Algemeen Uitbreidingsplan stelde de gemeenteraad in 1940 een plan vast voor het gebied tussen Zuider Amstelkanaal, Boerenwetering, de ringspoorbaan, de Schinkel en de Stadiongracht: het "Uitbreidingsplan Zuider-Amstelkanaal". Daarin waren 1735 woningen voorzien, bestemd voor "het draagkrachtiger deel der bevolking", gebouwd in een omgeving met veel groen. Het plan moest eraan bijdragen Amsterdam aantrekkelijker te maken als woonstad voor de beter gesitueerden, die in de jaren 1930 vaak kozen voor een huis buiten de drukke stad.
550 van de woningen moesten eengezinswoningen worden, oftewel laagbouw, waaronder een rij villa's langs de verlengde Minervalaan en twee-onder-een-kaphuizen in de parallelstraten daarachter.
In het plan werden ook plekken aangewezen voor negen scholen, waaronder een lyceum aan het kanaal; dat werd het Spinozalyceum. Ten westen van de Amstelveenseweg werd ruimte gereserveerd voor een weeshuis, het nieuwe Burgerweeshuis.
Het plan was opgesteld door de afdeling Stadsontwikkeling van de dienst Publieke Werken. Ook het Beatrixpark lag in het plangebied. De aanleg daarvan was in 1938 al begonnen.
De Tweede Wereldoorlog voorkwam uitvoering van het plan. Na de oorlog vond het gemeentebestuur het te gedetailleerd; bouwers vroegen om aanpassingen. Het werd in 1953 ingetrokken en vervangen door een plan op hoofdlijnen. Er was toen overigens al begonnen met de bouw in een deel van het plangebied, op in 1950 opgespoten zand. De bruggen 415 (Parnassusweg) en 417 (Beethovenstraat) over het kanaal waren in 1941 al gereed.
In het nieuwe plan was het plangebied uitgebreid met een stukje grond ten zuiden van het Beatrixpark, om de bouw van het Nicolaaslyceum en -klooster mogelijk te maken.
Uiteindelijk werd alleen het deel tussen kanaal, Beatrixpark, Prinses Irenestraat en Parnassusweg min of meer conform het oorspronkelijke plan uitgevoerd. Dat is ruwweg de Prinses Irenebuurt en omgeving. De andere delen kregen grotendeels geen woonbestemming.