25 oktober 1816 - 25 oktober 1889
Christiaan Pieter van Eeghen, Piet voor intimi, werd geboren als eerste van acht kinderen van een koopman uit een oud geslacht van kooplieden en bankiers. Hij ging al als tiener werken voor een ander handelshuis alvorens hij in 1839 toetrad tot de firma Van Eeghen & Co., het familiebedrijf. In 1842 trouwde hij met zijn nicht Cato Huidekoper (1822-1879), dochter van de toenmalige burgemeester. In de jaren voor zijn huwelijk maakte hij enkele lange reizen door Europa.
Onder (mede-)leiding van C.P. ging het de firma Van Eeghen voor de wind. Met zijn gezin betrok hij in 1855 een patriciërshuis in de Gouden Bocht, Herengracht 495. In 1864 werd hij commissaris en later president-commissaris van de Nederlandsche Bank, aan prestigieuze functie die hij ruim 25 jaar bekleedde.
Van Eeghen was doopsgezind en een aanhanger van het Réveil, een protestantse beweging die zich inzette voor sociaal werk en evangelisatie. Hij ontplooide een groot aantal maatschappelijke initiatieven en maakte daarbij intensief gebruik van zijn zakelijke, geestelijke en persoonlijke netwerken. De plannen werden veelal uitgevoerd door daartoe opgerichte verenigingen. Vaak was Van Eeghen degene die als eerste een flink bedrag in het project stak, waarop anderen volgden.
Het eerste project waar Van Eeghen bij betrokken was, was de Vereeniging voor Ziekenverpleging (1843). Doel van de vereniging was aanvankelijk de opleiding van verpleegkundigen, om zo de ziekenzorg in de stad te verbeteren. In 1854 begon de vereniging met de bouw van een eigen ziekenhuis, het Prinsengrachtziekenhuis.
Samen met een dominee en een rechter richtte Van Eeghen in 1846 een andere vereniging op: de Vereeniging tot Opbeuring van Boetvaardige Gevallen Vrouwen. Doel daarvan was de bestrijding van prostitutie en het helpen van prostituees bij het opbouwen van een ander bestaan. Ze werden daartoe opgevangen in een 'doorgangshuis'. Vanaf het begin poogde de vereniging om de vrouwen van daaruit als dienstbodes onder te brengen bij respectabele gezinnen. Vanaf 1848 werden ze ook naar het toen geopende Asyl Steenbeek in Zetten gestuurd, voor heropvoeding. Ook dat tehuis werd mede door Van Eeghen gefinancierd.
In 1852 volgde de Vereeniging ten Behoeve der Arbeidersklasse, die wel gezien wordt als de eerste woningbouwvereniging van Amsterdam. In tegenstelling tot latere woningbouwverenigingen waren de leden niet de bewoners of woningzoekenden, maar Amsterdammers die geld inlegden waarmee "goede en goedkope" woningen voor arbeiders gebouwd zouden moeten worden. Van Eeghen was een van de drijvende krachten achter de vereniging. Een andere door Van Eeghen opgezette woningbouwinstantie was Bouwmaatschappij Concordia (1864). Dat was geen vereniging maar een naamloze vennootschap. Concordia bouwde enkel in de Jordaan.
Hij was ook medeoprichter, een van de belangrijkste financiers en bestuurder van de organisatie die in 1856 het Zeemanshuis liet bouwen. Dat tehuis was niet alleen bedoeld om zeelui een slaapplek te bieden maar ook om ze weg te houden van drank en prostitutie.
In 1864 richtte hij met medestanders de Vereeniging tot Aanleg van een Rij- en Wandelpark op. Die wilde een plek maken waar Amsterdammers in een groene omgeving zouden kunnen wandelen en paardrijden. De aanleg begon nog dat jaar, en een jaar later was het eerste deel gereed. Al snel werd het park bekend als het Vondelpark.
Van Eeghen hield van hedendaagse kunst en bezat een aanzienlijke collectie kunstwerken. Hij was betrokken bij de totstandkoming van het Rijksmuseum en bij de oprichting van het Stedelijk Museum. Het Stedelijk kwam vooral voort uit de in 1874 door Van Eeghen opgerichte Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst.
Bij de dood van Van Eeghen schreef het Algemeen Handelsblad over het grootse project om van een zompig weiland een aantrekkelijk park te maken: "[..] doch het was dan ook alleenlijk mogelijk, doordien hij die het aangreep, zoo algemeen geëerbiedigd werd en zelf zo krachtig voorging als het op geven met milde en vorstelijke hand aankwam".
Na zijn dood liet hij honderden tekeningen en prenten en ruim negentig negentiende-eeuwse schilderijen na aan de stad.