Gaandeweg de negentiende eeuw raakten steeds meer mensen overtuigd van de heilzame werking van lichaamsbeweging. Ook werd er gezocht naar aangename manieren om de vrije tijd door te brengen, vooral door de gegoede burgerij.
In het Vondelpark (1864) kon men naast wandelen ook paardrijden. Een deel van het park, de huidige Platanenlaan, was zelfs ingericht als drafbaan. Vlakbij, in de Vondelstraat, was de Hollandsche Manege (A.L. van Gendt, 1881), waar men kon leren paardrijden.
De Amsterdamsche Vélocipède-Club had in 1886 een baan op het terrein achter het Rijksmuseum, waar later ook een ijsbaan kwam. Wie wilde leren fietsen, kon vanaf 1898 terecht in de wielrijschool in de Hobbemastraat (J. Ingenohl, 1898). In 1912 werd dat een zwembad. Ook enkele leeggekomen hallen van de Oostergasfabriek werden tot zwembad verbouwd, het eerste sportfondsenbad van Nederland (1929).
Turnen was eveneens een geliefde sport. Er waren aparte turngebouwen in de Nieuwe Passeerdersstraat (Ingenohl & K. Muller, 1887) en in de MJ Kosterstraat (J. Lenderink, 1905).
Diverse roeiverenigingen bouwden clubhuizen met botenloodsen. Die werden in de oorlog allemaal afgebroken op last van de bezetter. De botenloodsen bij de Berlagebrug (1932) bleven wel grotendeels behouden. Na de oorlog kwamen er nieuwe clubhuizen, veelal op andere locaties.
In 1928 werden de Olympische Spelen in Amsterdam gehouden. Het stadion van Jan Wils was de centrale locatie. Ook het nabijgelegen Nationale Stadion van Harry Elte uit 1914 werd gebruikt. Het Olympiaplein werd ingericht als oefenterrein voor deelnemers aan de atletiekonderdelen.
Het Nationale Stadion werd na de Spelen meteen afgebroken. Net als later het Ajaxstadion in de Watergraafsmeer (J. Roodenburgh, 1933-1996) maakte het plaats voor woningen. De sintelbaan op het Olympiaplein werd in 2002-2007 vervangen door een kortere baan.