16 augustus 1810 - 23 april 1875
Cornelis Outshoorn werd geboren in Nieuwveen als zoon van een winkelier. Hij begon zijn loopbaan als krullenjongen op een timmermanswerkplaats in Leiden en werkte zich op tot ingenieur en architect.
Als ingenieur bij de Hollandse IJzeren Spoorweg-Maatschappij, een van de voorlopers van de NS, tekende hij veel stationsgebouwen en spoorbruggen. Hij was hoofdopzichter bij de aanleg van de lijn Haarlem-Rotterdam. In Amsterdam verrees naar zijn ontwerp het station Willemspoort (1843, gesloopt na het gereedkomen van het Centraal Station).
In 1854 leverde Outshoorn het ontwerp voor het Koninklijk Postkantoor op de Nieuwezijds Voorburgwal, terwijl hij nog voor de HIJSM werkte. In 1857 nam hij definitief afscheid van de spoorwegen en vestigde hij zich als zelfstandig architect. Dat jaar begon hij aan het werk voor het Paleis voor Volksvlijt (gereed in 1864; na de brand van 1929 gesloopt), het grootse vooruitgangsproject van Samuel Sarphati. Voor Sarphati's bouwmaatschappij ontwierp hij ook het Amstelhotel (1867) en de woonhuizen aan West- en Oosteinde. Zijn bouwstijl greep terug op allerlei zeventiende- en achttiende-eeuwse stromingen, zoals het classicisme en de renaissance.
Buiten Amsterdam waren zijn voornaamste werken vermoedelijk de sociëteit De Witte in Den Haag (1870) en het Hotel d'Orange aan de boulevard in Scheveningen (1874, afgebroken circa 1950).
In Amsterdam werd hij in 1867 lid van de gezondheidscommissie, een adviesorgaan dat het gemeentebestuur adviseerde over onder meer kelderwoningen, riolering en doorspoeling van de grachten.
Outshoorn trouwde in 1840 met Johanna Christina Beelenkamp, met wie hij enkele kinderen kreeg. Hij woonde op het eind van zijn leven op Amstel 226 en overleed er in 1875, vermoedelijk aan de gevolgen van astma. Outshoorn werd begraven op de begraafplaats aan de Kleverlaan in Haarlem, naast zijn op zesjarige leeftijd overleden zoon Jan. Namens collega-architecten hield I. Gosschalk een rede op de begrafenis.