Amsterdam had vanouds twee ziekenhuizen: het Binnengasthuis en het Buitengasthuis bij de Overtoom. Vooral het laatste stond slecht aangeschreven: de kans om het gezond te verlaten werd zeer gering geacht. De stedelijke ziekenhuizen waren vooral voor de armen. Wie het kon betalen, liet zich thuis verzorgen.
In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstonden op particulier initiatief nieuwe ziekenhuizen, te beginnen met de Ziekenverpleging aan de Prinsengracht (1857). Later volgden het Kinderziekenhuis (1865) en het Burgerziekenhuis (1879) in het nieuwe oostelijke deel van de stad.
Het Burgerziekenhuis bestond uit meerdere gebouwen rond een tuin. Van die opzet met veel licht en lucht werd destijds gedacht dat ze bevorderlijk was voor het herstel van de patiënten. De gemeente begon in 1891 met de vernieuwing en uitbreiding van het Buitengasthuis tot Wilhelmina Gasthuis; ook daar koos men voor paviljoens.
De religieuze zuilen bouwden ook eigen ziekenhuizen. De joodse gemeente had al sinds 1804 een eigen ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht, het Nederlands Israëlietisch Ziekenhuis. Luthersen bouwden daar vlakbij in 1856 een Diaconie-Ziekenhuis. Gereformeerden openden in 1891 de Gereformeerde Ziekenverpleging, die vanaf 1904 gehuisvest was in een gebouw op de hoek Bilderdijkkade-Ter Haarstraat (inmiddels gesloopt). Katholieken konden vanaf 1878 terecht bij de Roomsch-Katholieke Ziekenverpleging, eerst aan de Keizersgracht en vanaf 1898 aan het Oosterpark onder de naam Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Luthersen bouwden ook het Diakonessen-Ziekenhuis aan het Vondelpark (1898).
Het Binnengasthuis en het Wilhelmina Gasthuis deden ook dienst als academisch ziekenhuis.
Met de sluiting van het Prinsengrachtziekenhuis in 2014 werd het laatste negentiende-eeuwse ziekenhuis gesloten dat nog in het oorspronkelijke gebouw gevestigd was.